In een verklaring die hij publiekelijk heeft voorgelezen ter verdediging van Gideon van Meijeren, die terechtstaat wegens opruiing, zet hoogleraar rechtsfilosofie Andreas Kinneging een principieel betoog uiteen over het recht op verzet tegen de staat. Dat recht is geen modern of radicaal idee, maar een vast en centraal thema in de politieke en staatsrechtelijke traditie, stelt hij. Vrijwel alle grote denkers over de staat erkennen het bestaan ervan en hechten er grote waarde aan.
Kinneging benadrukt dat het recht op verzet niet onmiddellijk of lichtvaardig wordt ingeroepen. Verzet kent volgens de klassieke leer verschillende gradaties, waarbij het woord altijd op de eerste plaats komt. Kritiek, debat en overtuiging vormen het primaire en meest legitieme middel. Wanneer dat onvoldoende blijkt, kan passief verzet gerechtvaardigd zijn, wat vroeger werd aangeduid als martelaarschap en tegenwoordig bekendstaat als burgerlijke ongehoorzaamheid. Daarbij weigert men zich aan een als onrechtvaardig ervaren wet te houden, in de hoop dat de overheid hierdoor tot inzicht komt en haar beleid wijzigt.
Pas daarna komen vormen van actief verzet in beeld, zoals demonstraties en het bezetten van wegen of gebouwen. Helemaal aan het einde van dit spectrum staat het gewelddadig verzet tegen de staat, dat uitsluitend als uiterste middel kan worden beschouwd. In de politieke filosofie geldt geweld nooit als eerste optie, maar slechts als ultimum remedium.
Mijn verklaring over het recht op verzet tegen de staat, ter verdediging van Gideon van Meijeren, die terechtstaat wegens “opruiing”. pic.twitter.com/312reCUXYF
— Andreas Kinneging (@AndreasKinnegi1) February 4, 2026
De doorslaggevende vraag is volgens Kinneging niet zozeer hoe verzet plaatsvindt, maar wanneer het gerechtvaardigd is. In de traditie van de grote politieke denkers bestaat daarover opvallend veel overeenstemming: verzet tegen de staat is gerechtvaardigd wanneer sprake is van machtsmisbruik. Soms is dat misbruik overduidelijk. Als voorbeeld uit de Nederlandse geschiedenis noemt Kinneging de massamoord op de Nederlandse Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog. In zulke omstandigheden is gewelddadig verzet niet alleen toegestaan, maar zelfs moreel geboden. Meestal is machtsmisbruik echter minder evident en ligt het grensgebied tussen legitiem machtsgebruik en misbruik ingewikkelder.
Tegen deze achtergrond bespreekt Kinneging een veelgehoord tegenargument: in de moderne democratische rechtsstaat zou machtsmisbruik niet kunnen voorkomen. De scheiding der machten en periodieke vrije verkiezingen zouden voldoende waarborgen bieden, zodat een recht op buitenwettelijk verzet overbodig is. Hoewel Kinneging erkent dat dit argument op het eerste gezicht plausibel klinkt, wijst hij erop dat het veronderstelt dat de democratische rechtsstaat ook daadwerkelijk functioneert zoals de theorie belooft.
Juist daar plaatst hij fundamentele vraagtekens bij. Wat betreft de rechtsstaat stelt Kinneging dat de klassieke trias politica in Nederland in de praktijk niet meer bestaat. In plaats van een evenwicht tussen wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht is er sprake van wat sommigen een “duas politica” noemen. De volksvertegenwoordiging is door meerderheidsregeringen en strikte fractiediscipline al decennialang buitenspel gezet. Het parlement is daardoor nauwelijks nog in staat om de uitvoerende macht effectief te controleren, laat staan om als volwaardige tegenmacht te functioneren. Wanneer de institutionele checks and balances niet meer werken zoals bedoeld, ontstaat vanzelf ruimte voor machtsmisbruik.
Ook het democratische element van de rechtsstaat biedt volgens Kinneging geen absolute garantie. Periodieke verkiezingen voorkomen niet per definitie dat de democratie ontaardt in wat al sinds de oudheid bekendstaat als de tirannie van de meerderheid. Die tirannie kan zich binnen het parlement manifesteren, wanneer een vaste meerderheid structureel haar wil oplegt aan een vaste minderheid zonder rekening te houden met haar belangen of rechten. Maar zij kan zich ook in bredere maatschappelijke zin voordoen, wanneer een dominante meerderheid een minderheid uitsluit, monddood maakt en zichzelf beschouwt als morele bewaker van de democratische orde.
Beide tendensen zijn in het Nederland van vandaag zichtbaar, benadrukt Kinneging. Hoewel de situatie nog aanzienlijk kan verergeren, vertonen de huidige ontwikkelingen al kenmerken van een tirannie van de meerderheid. Dat gegeven is van groot belang, omdat juist tirannie in de politieke filosofie steevast wordt aangewezen als de belangrijkste rechtvaardigingsgrond voor verzet tegen de staat.
Vanuit dit perspectief concludeert Kinneging dat het beroep van Gideon van Meijeren op het recht op verzet niet alleen begrijpelijk is, maar ook volledig past binnen de klassieke staatsrechtelijke en filosofische traditie. Het recht op verzet is geen anachronisme, maar een noodzakelijke correctie wanneer de democratische rechtsstaat tekortschiet. Juist in de huidige tijd, zo stelt hij, is dat besef relevanter dan ooit.
Over de auteur: Robin de Boer is economisch geograaf. Volg hem hier op Substack voor exclusieve content.






Satellieten zien ‘zwarte gaten’ in Atlantische Oceaan
Bill Gates koopt stilletjes 100.000 hectare landbouwgrond
VIDEO: België in de ban van vreemd cirkelvormig object
Was koningin Nefertiti niet afkomstig van deze aarde? Dit is wat egyptologen erover zeggen
Sporen van onbekende beschaving ontdekt hoog in Himalaya. Deze archeologen staan voor een raadsel
Zeldzame ‘hoedvormige’ wolk boven Japan (video)
Waarom IJsland ons aan het denken moet zetten over de Nederlandse en Europese politiek
Grapperhaus over buitensporig politiegeweld: ‘Geen enkele aanleiding voor buitenparlementaire onderzoekscommissie’
Must see: “Ik ben in Syrië geweest. Onze media liegen over wat daar gebeurt”